Gedichten

Onderstaond gedicht stund in ROET, zomereditie 2020

Zorgzaam

Bezorgd bög hij aover heur

as een treurende karstboom

zonder blinkernde ballen

an kale dennetakken

Mar mit naolden. Een bulte naolden

 

Getallen en grafieken

glienstert as kleurige laampies

in rood en gruun

an heur kastie

As was ’t groot feest. Een rustig feest

 

Zo nou en dan schrouwt ie

moord en braand

bij gevaor

veur heur leven

Wat zij niet kan. Omdat zij ’t niet kan

 

Bezorgd bög hij aover heur

as een woeste waakhond

zonder blinkernde taanden

wakend tot zij ontwaakt

Tot dan is hij daor. Tot dan blef hij daor

Met onderstaand gedicht ben ik 7e geworden bij de Willem Wilminks dichtwedstrijd te Almelo, waar ik super trots en blij mee ben (Er deden bijna 200 dichters aan mee)

Buitenbeentje

 

Hij loopt vandaag op hakken, voorzichtig en verlegen

stapje voor stapje komt hij dichterbij zijn doel

Vanuit zijn ouderlijk huis bereikt hij nieuwe wegen

verlaat daarmee zijn veiligheid en zijn vertrouwd gevoel

 

Zijn haren opgestoken en in zijn hand een tasje

strak tegen zich aan, alsof het een pantser is

Op een roestbruin rokje draagt hij een tijgerjasje

zo vlucht een onschuldige uit zijn gevangenis

 

Kijkend door het raam, lik ik de leegte van mijn lippen

deze sterke navelstreng valt nimmer door te knippen

Kijk uit. Let op. Wees voorzichtig, alsjeblieft

 

Wat zou ik graag de schoonheid er van zien

maar angst regeert. Misschien later. Dan misschien

Ooh buitenwereld. Ben zacht. Hij is mij toch zo lief

Schoonmaken geeft rust

 

Veeg de vloer aan met je twijfels

schrob de scherven van je vrees

wis de webben uit je angsten

spoel de spiegels van je geest

 

Schrap de zinnen uit je zorgen

activeer je betere helft

haal de bezem door benauwdheid

steek het licht aan in jezelf

 

Strijk de vouwen uit je fronsen

verdraai de spil in je bestaan

poets de passie in je dromen

dan kun jij de wereld aan

We vieren Bevrijdingsdag

(twee keer dit jaar)

 

Nooit wist ik echt wat vrijheid was

totdat het werd ontnomen

want toen opeens begreep ik pas

wat ons is overkomen

 

Want wat normaal was en gewoon

is nu een bijzonderheid

de uren glijden monotoon

verstrijken met de tijd

 

Niet naar de kroegen om de hoek

geen knuffels meer en geen bezoek

dat mis ik nog het meeste

 

Maar worden wij straks opnieuw bevrijd

van groepsverbod aanwezigheid

wat zullen wij dan feesten!

Kleindochter

 

Er ligt een droom te slapen

In haar wiegje, warm en zacht

Soms vertrekt haar mondje

Is het net alsof ze lacht

 

Haar handje raakt haar neusje

Waardoor zij plotsklaps schrikt

Met haar armpjes uitgestoken

Vangt ze mijn verliefde blik

 

In haar oogjes dansen elfjes

Stralend in de ochtendzon

Golven mee op haar gedachtes

Verwarmen innig haar cocon

 

Ver weg is nog de boze wereld

Voor haar nog geen verdriet en pijn

Maar zijn de elfjes straks verdwenen

Zal ik er altijd voor haar zijn


Eigen wereld

 

Zie jij dat ook

Wat ik nu zie

Waar wij nu zijn

Is waar jij bent

 

Heb jij dat ook

Dat wat ik voel

Wat jij niet zegt

Maar ik herken

 

Weet jij dat ook

Wat ik omschrijf

Van wat jij doet

En hoe jij leeft

 

Wist ik nu maar

Waar jij van droomt

Nu jij zo ver

Vanaf mij zweeft

Verstopt gezin

 

Dit is veur degenen die hoopt in bange dagen

En tegen gieniene klaagt, ok al hebt ze zat te klagen

Zij bint der al zo lange. Mar der veur oons nooit waren

Gien namen op pepier. Gien namen opeslagen

Dit is veur heur ogen. Die ziet. Mar nooit iets zagen

Dit is veur degenen die hoopt in lange dagen

 

Hebt zij ooit edacht in de uren die vervaagden

dat zij de lesten waren? En dat zij der buten lagen

Wussen zij van oons? Heurden zij oons bij vlagen

Verstopt in een kelder. Vanof de kienderwagen?

Wij kunt allent mar dèenken: wat mussen zij verdragen

Wachtend op de tied. Op heur ende der dagen.

 

Ruinerwold, september 2019

Verwarde uren

 

Soms dwaal ik in mijn nachtpon rond

heb geen besef van tijd

plots hoor ik op de achtergrond:

‘Mevrouw ben u iets kwijt?’

 

‘Maar nee mijn kind,

ik ben niets kwijt’

zeg ik haar heel oprecht

alles draag ik dicht bij mij

maar waar blijft steeds mijn tijd

 

Ik leef en slaap en doe mijn ding

precies zoals dat hoort

maar er is in mijn herinnering

zoveel wat mij verstoort

 

Ik weet dat ik zelf moeder ben

maar waar is nu mijn ma

zij haalde mij zojuist van school

ik roep haar achterna

 

Nu dwaal ik in mijn nachtpon langs

en ben mijzelf kwijt

ik ben alleen en oh zo bang

‘Mijn kind, waar blijft mijn tijd?’

Winkelhitte

 

Op een hete, subtropische dag

was het dat ik plotseling zag

dat er niets, maar dan ook niets

meer in mijn keukenkastjes lag

 

Verhit sprong ik op mijn fiets

want een keukenkast met helemaal niets

tja! Dat is toch vreselijk verdacht

wie doet nou toch zoiets

 

In de winkel zag ik tot mijn schrik

dat iedereen behalve ik

helemaal naakt of bijna bloot

niet opkeek van mijn verbaasde blik

 

Ik dacht, ben ik nu gek of wat

dit is toch zeker raar en dat

niemand verblikt of verbloosd

maar loopt alsof hij kleding had

 

Snel rende’ ik weg, geheel ontzet

want van die aanblik, zooo onnet

kreeg ik mij toch een vuurrood hoofd

en werd weer wakker in mijn bed

 

Stormachtige herinnering

 

As de rollende donder bolderde

deur mien kleine kamer op zolder

en de locht in lichterlaaie leek te staon

zwarte wolken mekare wollen verslaon

dan krèup ik doodsbenauwd mit mien kop onder mien kussen

bibberend en bevend smekend um rust en

tot de terugkerende stilte van de nacht an toe

en het zacht zuvere zingen van mien moe

 

As de wilde wiendvlagen broesten en brulden

en deur kieren en gaten mien kamertie vulden

waordeur de gebienten stormachtig kraakten

alle knaagdieren uut hun slaop ontwaakten

dan krèup ik doodsbenauwd mit mien kop onder mien kussen

bibberend en bevend smekend um rust en

tot de terugkerende stilte van de nacht an toe

en het zacht zuvere zingen van mien moe

 

As mien moe zuverzachte begunde te zingen

dan verdwenen – heel biezunder – alle nare dingen

de rollende donder bolderde terogge

en mien zolderkamer wörd weer as vrogger

gien wilde wiendvlagen meer in braand

stilte en rust kalmeerden ’t plattelaand

pas as heur gezang de woeste wolken wus te sussen

lee ik gerust mien kop weer op mien kussen